Het kabinet wil de onzekerheid bij werkgevers wegnemen over de vraag of zij voldoende hebben gedaan om hun zieke werknemer weer aan het werk te helpen. Het advies van de bedrijfsarts over wat iemand nog kan doen, wordt daarom leidend bij deze toets door UWV na 2 jaar ziekte. Dat staat in een wetsvoorstel dat op 1 april 2026 is aangeboden aan de Raad van State.
RIV-toets
Als iemand ziek wordt, is de werkgever verplicht twee jaar lang het loon door te betalen en de werknemer te helpen weer aan het werk te gaan, te re-integreren. Na die twee jaar ziekte mag de werknemer onder voorwaarden ontslagen worden en kan de werknemer een arbeidsongeschiktheidsuitkering aanvragen. Met de RIV-toets (re-integratieverslagtoets) beoordeelt UWV of werkgever en werknemer voldoende gedaan hebben om de werknemer weer aan het werk te krijgen.
Als dat niet het geval is, kan de werkgever verplicht worden nog maximaal een jaar langer het loon door te betalen om de gemiste re-integratiekansen te herstellen. In de nieuwe situatie wordt het advies van de bedrijfsarts leidend bij deze toets. Dit biedt werkgevers meer zekerheid bij de verplichtingen rond loondoorbetaling bij ziekte. Werkgevers weten zo namelijk dat ze voldoende hebben gedaan als ze invulling geven aan het advies van de bedrijfsarts. Ook scheelt het de verzekeringsartsen van UWV werk, waardoor zij meer tijd overhouden voor het beoordelen van de aanvragen voor een uitkering.
Hoe wordt nu getoetst?
Op dit moment beoordeelt UWV of de sociaal-medische beoordeling van de bedrijfsarts adequaat is. Als dat niet het geval is dan krijgt de werkgever een loonsanctie. Dat betekent dat de werkgever de werknemer verder moet re-integreren en niet over kan gaan tot ontslag.
In de afgelopen jaren is de rechter wel strenger geworden richting UWV. Bij beoordeling van de re-integratie-inspanningen van de werkgever dient de bedrijfsarts een zogenaamde “professionele marge” te worden gegund. UWV moet toetsen of de bedrijfsarts in redelijkheid tot zijn sociaal medische handelwijze of zijn oordeel over de belastbaarheid heeft kunnen komen. Het enkele feit dat de verzekeringsarts van UWV achteraf oordelend anders zou hebben gehandeld is onvoldoende om tot het oordeel te kunnen komen dat de bedrijfsarts de hem toekomende professionele marge heeft overschreden.
Rechtbank Oost-Brabant
Als de bedrijfsarts buiten de professionele kaders is getreden en er dus sprake is van een onjuiste beoordeling, dan komt dit nog steeds “voor rekening en risico” van de werkgever, met een loonsanctie als gevolg.
De Rechtbank Oost-Brabant heeft in 2025 geprobeerd om deze jurisprudentie te verder te nuanceren. De rechtbank oordeelt dat een werkgever zich in algemene zin moet vergewissen van de juistheid van het oordeel van de bedrijfsarts, maar daartoe maar in beperkte mate in staat is. Als er geen contra-indicaties zijn zou de werkgever van de juistheid van de adviezen mogen afgaan (en zou een loonsanctie dus niet gerechtvaardigd zijn).
Aanleiding voor de Rechtbank Oost-Brabant om de “voor rekening en risico” benadering te nuanceren was onder meer het advies van OCTAS (Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel) en wat het kabinet daarover opmerkt in een brief van februari 2025:
OCTAS adviseert in haar rapport bij de maatregelen in de wachttijd, de eerste 104 weken van ziekte, dat UWV bij de toetsing van het re-integratieverslag uit mag gaan van vertrouwen in het werk van de bedrijfsarts. Hierdoor vervalt één van de grondslagen tot een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting (loonsanctie). ..
Centrale Raad van Beroep
De Centrale Raad van Beroep heeft begin 2026 de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant vernietigd en houdt vast aan de “voor rekening en risico” benadering. De rechtbank gaat uit van een ‘vergewis’-plicht, maar hiermee wordt het risico van een onjuist medisch advies van een door de werkgever ingeschakelde bedrijfsarts verlegd van werkgever naar werknemer. Uit de artikelen 25, negende lid, en 65 van de Wet WIA vloeit voort dat dit risico op de werkgever rust en dat dit blijkens de wetsgeschiedenis een bewuste keuze van de wetgever is geweest. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om deze risicoverdeling ten nadele van werknemers te wijzigen. Dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inmiddels voornemens is het medisch advies van de bedrijfsarts bij de RIV-toets leidend te maken, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.