In de afgelopen periode hebben we je al enkele keren meegenomen in de veranderingen die voor deelnemers aan de ABP-pensioenregeling op 1 januari 2027 plaatsvinden. Denk aan de compensatie voor toekomstige pensioenopbouw en het onderbrengen van de al opgebouwde pensioenaanspraken in de vernieuwde pensioenregeling: het zogenoemde ‘invaren van bestaande pensioenaanspraken’. Ook heeft ABP een groot communicatieoffensief richting de deelnemers opgestart.

In dit nieuwsbericht zetten we uiteen hoe de vernieuwde pensioenregeling er vanaf 1 januari 2027 uitziet. We willen daarbij niet uitputtend zijn, maar vooral een beeld schetsen van de manier waarop deelnemers vanaf 2027 pensioen opbouwen.

Gaat er veel veranderen?

Nee, veel blijft juist hetzelfde. De sociale partners (werkgeversorganisaties en vakbonden) in de Pensioenkamer hebben afspraken gemaakt over de vernieuwing van de ABP-pensioenregeling. Zij willen de mogelijkheden van de nieuwe regels zo goed mogelijk benutten en tegelijkertijd de sterke elementen van de huidige regeling behouden.

Het uitgangspunt is dat een deelnemer in de vernieuwde pensioenregeling voor dezelfde premie ongeveer evenveel pensioen kan opbouwen als nu. De ambitie is dat iemand die op 25-jarige leeftijd begint met pensioen opbouwen, na 43 jaar een pensioen bereikt dat – inclusief de AOW – 80% van zijn gemiddelde loon bedraagt.

Wat blijft hetzelfde?

De deelnemer blijft samen met de werkgever premie inleggen. Daarnaast blijven alle deelnemers gezamenlijk meevallers en tegenvallers opvangen. Ook blijven de mogelijkheden bestaan om de pensioenuitkering individueel in te richten zodra de pensioendatum nadert of is bereikt. Zo kan een werknemer nog steeds eerder of later met pensioen gaan, gedeeltelijk met pensioen gaan of ervoor kiezen om gedurende een bepaalde periode meer of minder pensioen op te nemen.

Ook blijft een gepensioneerde levenslang pensioen ontvangen en moet het pensioen zo veel mogelijk meegroeien met de prijsstijgingen. Die ambitie is echter geen garantie, maar een streven. Of de pensioenen daadwerkelijk stijgen, hangt af van de beleggingsopbrengsten, en die zijn onzeker.

Verder blijven de voorzieningen bij overlijden (nabestaandenpensioen) en arbeidsongeschiktheid (arbeidsongeschiktheidspensioen) bestaan. Tot zover is er dus weinig nieuws onder de zon.

De premie van werknemer en werkgever vormt de basis voor de hoogte van het pensioen

Werknemer en werkgever vullen gezamenlijk de pensioenpot met premie. De premie voor 2027 blijft naar verwachting 27,2%, even hoog als nu. Van deze premie betaalt de werknemer 30% en de werkgever 70%.

Na de overgang op 1 januari 2027 wordt het pensioengeld bij ABP ondergebracht in een individueel pensioenkapitaal: de pensioenpot. Deze pensioenpot is bedoeld voor het ouderdomspensioen én voor het partnerpensioen nadat een werknemer met pensioen is gegaan.

De rendementen die ABP in de toekomst behaalt, laten het kapitaal groeien. Die rendementen kunnen positief zijn als het goed gaat op de financiële markten, maar ook negatief als het economisch tegenzit. Het geld in de pensioenpot beweegt dus mee met de financiële markten. Daardoor staat niet langer van tevoren vast hoeveel pensioen een werknemer uiteindelijk ontvangt.

‘Meegroeien met de financiële markten’: wat betekent dat?

In principe betekent dit dat de hoogte van het pensioen afhankelijk wordt van de toekomstige rendementen die ABP behaalt. In de praktijk spelen daarbij veel verschillende regels een rol. We lichten enkele belangrijke uitgangspunten toe.

1. Het rendement verschilt per deelnemer

Voor oudere werknemers en gepensioneerden belegt ABP met minder risico dan voor jongere deelnemers. Beleggingen met minder risico zijn stabieler, maar leveren vaak ook minder rendement op. Jongere deelnemers kunnen meer risico lopen en daardoor mogelijk een hoger rendement behalen.

Dat betekent dat iedere leeftijdsgroep een ander rendement ontvangt dat aan de pensioenpot wordt toegevoegd. De leeftijd van de deelnemer speelt dus een belangrijke rol.

Bij de groei van de pensioenpot zijn twee begrippen van belang: het zogenoemde beschermingsrendement en het overrendement. Het beschermingsrendement is bedoeld om de pensioenuitkering stabiel te houden en beschermt tegen schommelingen in de rente. De rente beïnvloedt namelijk de ‘kostprijs’ van pensioen.

Het overrendement is het rendement dat overblijft nadat het beschermingsrendement is toegekend. ABP blijft collectief beleggen. Individuele werknemers kunnen dus niet kiezen voor een ander risicoprofiel.

2. Spreiding van resultaten

ABP spreidt de resultaten van de beleggingen over meerdere jaren. Daardoor worden de effecten van goede en slechte jaren afgevlakt. ABP heeft gekozen voor een spreidingstermijn van 2,5 jaar. In de praktijk betekent dit dat 40% van een behaald rendement – positief of negatief – wordt verwerkt in het pensioenkapitaal of de pensioenuitkering in het daaropvolgende jaar.

3. Een gezamenlijke buffer

Daarnaast vormt ABP een gezamenlijke buffer: de zogenoemde solidariteitsreserve. Deze buffer dient om schommelingen in de pensioenen te dempen. Dat kan nodig zijn bij tegenvallende beleggingsresultaten, maar bijvoorbeeld ook wanneer de levensverwachting stijgt en ABP daardoor langer pensioen moet uitbetalen.

Partnerpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum en arbeidsongeschiktheidspensioen

De oplettende lezer heeft misschien al opgemerkt dat het pensioen dat vanaf 2027 wordt opgebouwd, uitsluitend bedoeld is voor het ouderdomspensioen en voor het partnerpensioen nadat een deelnemer met pensioen is gegaan. Wanneer een werknemer met pensioen gaat, wordt de pensioenpot omgezet in een levenslange maandelijkse pensioenuitkering.

Betekent dit dat het partnerpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum en het arbeidsongeschiktheidspensioen verdwijnen?

Nee, zeker niet. Beide voorzieningen blijven bestaan, maar er veranderen wel enkele zaken. De belangrijkste wijzigingen op een rij:

  • Het begrip ‘partner’ wordt verruimd. Een samenlevingscontract is niet langer noodzakelijk. Een partnerverklaring is voldoende. Daarin verklaren samenwonenden dat zij op hetzelfde adres wonen en voor elkaar zorgen.
  • Het partnerpensioen bij overlijden vóór pensionering wordt een risicoverzekering. Het partnerpensioen bedraagt 41% van het salaris van de deelnemer. Het wezenpensioen voor kinderen tot 25 jaar bedraagt 7%.
  • Wanneer een werknemer uit dienst gaat, vervalt standaard de verzekering voor partner- en wezenpensioen. Na een uitloopperiode van drie maanden kan de dekking onder voorwaarden worden voortgezet. De premie daarvoor wordt betaald uit de pensioenpot van de voormalige werknemer. Daardoor valt het ouderdomspensioen iets lager uit.
  • Het arbeidsongeschiktheidspensioen kan niet eerder ingaan dan 104 weken na de eerste ziektedag. Tot 2027 kan dit pensioen nog eerder ingaan, maar alleen bij een vervroegde IVA-uitkering.

Met pensioen gaan

Tot nu toe hebben we besproken hoe deelnemers pensioen opbouwen, welke gevolgen de nieuwe premieregeling heeft en welke bescherming de vernieuwde regeling biedt tegen grote schokken. Maar wat gebeurt er wanneer een deelnemer met pensioen gaat?

Wanneer een werknemer met pensioen gaat, zet ABP de pensioenpot om in een maandelijkse pensioenuitkering. De individuele pensioenpot gaat dan op in een gezamenlijke pot waaruit alle gepensioneerden hun uitkering ontvangen. De aanstaande gepensioneerde koopt zich als het ware in bij het collectief.

ABP stelt de pensioenuitkering vervolgens jaarlijks opnieuw vast, telkens in november. Ook na pensionering beïnvloeden de beleggingsresultaten immers nog de hoogte van de uitkering. Alle gepensioneerden krijgen één keer per jaar dezelfde procentuele aanpassing van hun pensioen.

Tijdspad

De werkgevers- en werknemersorganisaties in de Pensioenkamer en ABP hebben al veel werk verricht. Ook de communicatie over de vernieuwde pensioenregeling is in volle gang. De Nederlandsche Bank (DNB) moet nog wel definitief instemmen met de overgang op 1 januari 2027.

Tot nu toe heeft ABP geen individuele berekeningen voor werknemers gemaakt. Er zijn nog geen bedragen bekendgemaakt, terwijl dat voor individuele werknemers natuurlijk het spannendste moment is.

Er zijn daarom nog twee belangrijke momenten te noemen:

  • In de tweede helft van 2026 ontvangt iedere deelnemer en gepensioneerde een voorlopig transitieoverzicht (VTO) met een indicatie van het te verwachten pensioen vanaf 1 januari 2027.
  • In de loop van 2027 ontvangt iedereen een definitief transitieoverzicht (DTO) van het vernieuwde pensioen.