Soms is niet één incident doorslaggevend, maar de optelsom van gebeurtenissen. Dat ondervond een werknemer van Rijkswaterstaat die uiteindelijk op staande voet werd ontslagen omdat hij zijn laptop zonder toestemming meenam naar het buitenland én niet meldde dat deze daar was gestolen. In een recente uitspraak van 8 mei 2026 oordeelde de Rechtbank Den Haag dat een ontslag op staande voet volledig terecht was.

Wat speelde er?
De werknemer had al eerder problemen gehad met de naleving van interne regels. Begin 2025 kreeg hij een schriftelijke berisping vanwege onder meer privégebruik van een deelauto van de werkgever en het kwijtraken van een werklaptop. Daarbij werd hij expliciet gewaarschuwd dat een volgende overtreding van regels of protocollen kon leiden tot beëindiging van het dienstverband.
En die volgende overtreding liet niet lang op zich wachten.
Tijdens een verblijf in het buitenland nam de werknemer zonder toestemming zijn werklaptop mee. Dat is in strijd met de bij Rijkswaterstaat geldende regels. Vervolgens werd de laptop gestolen. Op zichzelf al vervelend, maar de werknemer maakte het nog problematischer door de diefstal niet direct te melden. Pas ruim drie weken later kwam de werkgever hiervan op de hoogte.
Integriteitsonderzoek
Naar aanleiding van de melding startte Rijkswaterstaat een integriteitsonderzoek. Daarbij ontstonden bovendien vragen over de verklaringen die de werknemer gaf over zijn reis en de omstandigheden rondom de vermissing van de laptop.
Voor de werkgever was de maat vol. Twee dagen na het afronden van het onderzoek volgde ontslag op staande voet.
Wat vond de rechter?
De werknemer stelde dat het ontslag te zwaar was en dat Rijkswaterstaat onvoldoende bewijs had geleverd. Ook vond hij dat het ontslag niet onverwijld was gegeven. De kantonrechter ging daar niet in mee.
Volgens de rechtbank stond vast dat de werknemer:
- zonder toestemming een werklaptop naar het buitenland had meegenomen;
- de laptop daar kwijt was geraakt door diefstal;
- de diefstal niet direct had gemeld;
- eerder al een duidelijke waarschuwing had gekregen over integriteitsschendingen.
Juist de combinatie van deze omstandigheden maakte volgens de rechter dat sprake was van een dringende reden voor ontslag op staande voet.
Ook van een te traag onderzoek was geen sprake. Nadat de werkgever op 14 juli 2025 van de vermissing hoorde, volgde direct een onderzoek, een gesprek met de werknemer en vervolgens op 18 juli 2025 het ontslag.
Geen transitievergoeding
Omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was en het gedrag van de werknemer als ernstig verwijtbaar werd gezien, kreeg hij geen transitievergoeding, geen billijke vergoeding en geen loonvergoeding.
Sterker nog: de werknemer moest zelf nog een flink bedrag aan de werkgever terugbetalen, naast een eerdere terugbetalingsregeling die al liep. Zo moest hij zijn ontvangen bijdrage voor verduurzaming van de woning terugbetalen (€750,-), teveel genoten verlofuren (ruim €3.000,- bruto) en de gefixeerde schadevergoeding betalen (bijna €7.000,- bruto).