Maximaal drie tijdelijke contracten, maximaal drie jaar én een tussenpoos van maximaal zes maanden. Dit riedeltje kennen we allemaal wel, maar de praktische toepassing blijkt soms toch lastig. In dit blog een opfrisser mét de bijzonderheden die bij de Staat gelden.

Ketenregeling: de basis

De ketenregeling vind je in artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek. Een werkgever mag maximaal drie tijdelijke contracten geven in een periode van drie jaar. Als de werknemer daarna blijft werken, dan wordt het vierde contract automatisch een vast contract. Ook als de werknemer langer dan drie jaar met tijdelijke contracten in dienst is, geldt hetzelfde. De keten wordt doorbroken als tussen twee tijdelijke contracten een tussenpoos van meer dan zes maanden zit. Goed om te onthouden: de ketenregeling heet zo omdat een keten uit meerdere schakels bestaat. Eén tijdelijke arbeidsovereenkomst kan in theorie dus wel voor langer dan drie jaar worden aangegaan.

 
Let op: de Eerste Kamer heeft ingestemd met de Wet meer zekerheid flexwerkers. Met ingang van 1 januari 2028 wordt de ‘tussenpoos’ verlengd van zes maanden naar drie jaar. Meer informatie hierover vind je in een eerdere weblog.

De Staat is de werkgever

Klein puntje, groot gevolg: de Staat is onze werkgever. Daarom tellen tijdelijke arbeidsovereenkomsten van werknemers die (waar dan ook) binnen de Staat hebben gewerkt mee voor de keten. Als je een tijdelijke vacature hebt, vraag een sollicitant dan altijd of de sollicitant eerder voor de Staat heeft gewerkt.  Let op: de Staat is soms groter dan je denkt. Als de medewerker eerder met een tijdelijke arbeidsovereenkomst bij de Staat heeft gewerkt – en de tussenpoos is zes maanden of korter – maakt het niet uit welk werk hij/zij deed. De arbeidsovereenkomsten tellen mee. 


Voorbeeld: 

  • Piet werkt sinds 1 januari 2024 bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als senior Inspecteur S12. Hij heeft een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor een jaar met als reden ‘voor werkzaamheden die u slechts tijdelijk gaat uitvoeren’. Zijn tijdelijke contract loopt op 31 december 2024 af en wordt niet verlengd.
  • Hij solliciteert op een tijdelijke functie bij de Belastingdienst: senior Inspecteur S13. Hij wordt vanaf 1 mei 2025 aangenomen. 
  • Piet mag – als hij wordt aangenomen – nog twee tijdelijke overeenkomsten bij de Belastingdienst krijgen. De uiterste einddatum is 31 december 2026.

Opvolgend werkgeverschap en uitzendkrachten

Soms tellen arbeidsovereenkomsten bij een andere werkgever ook mee. Dat is het geval als de werknemer ‘nagenoeg’ hetzelfde werk blijft doen. In de praktijk gaat het dan vaak over uitzendkrachten die in dienst komen na eerst via het uitzendbureau (dat was dan de andere werkgever) bij de Staat te hebben gewerkt. Het kan natuurlijk ook gaan om medewerkers die gedetacheerd werden vanuit een andere werkgever. Je moet in die gevallen beoordelen of de medewerker als uitzendkracht nagenoeg dezelfde werkzaamheden deed als in de functie waarop hij solliciteert. Een andere salarisschaal is een sterke aanwijzing dat dit niet zo is (zie ook dit blog). 

Uitzendkrachten

Als er meerdere tijdelijke arbeidsovereenkomsten zijn, tellen die allemaal mee voor zowel de duur als het aantal arbeidsovereenkomsten. Voor uitzendkrachten geldt op grond van hoofdstuk 2.3 van de CAO Rijk een uitzondering: meerdere uitzendovereenkomsten tellen voor het aantal mee als één overeenkomst.  


Voorbeeld:

  • Yasmin werkt sinds 1 juni 2024 via TempoTeam bij het CJIB. Zij is daar medewerker Behandelen en Ontwikkelen S6 en doet dat tot 1 januari 2025 op basis van twee uitzendovereenkomsten;
  • Yasmin krijgt een tijdelijke arbeidsovereenkomst met als reden ‘voor werkzaamheden die u slechts tijdelijk gaat uitvoeren’ aangeboden voor de functie waar zij al als uitzendkracht werkte.
  • Yasmin mag maximaal twee tijdelijke contracten bij de Staat krijgen. De uitzendovereenkomst telt als één contract in de keten. Uiterste einddatum van het (tweede) tijdelijk contract moet 31 mei 2027 zijn.

En die arbeidsovereenkomst om de geschiktheid te beoordelen dan?

De regels uit het Burgerlijk Wetboek zijn redelijk helder en bieden de werkgever best wat ruimte om meerdere tijdelijke arbeidsovereenkomsten aan te gaan. Tegelijk wordt die ruimte in onze CAO Rijk beperkt waar het gaat om een tijdelijke arbeidsovereenkomst om de geschiktheid te beoordelen. In de CAO Rijk is afgesproken dat dit voor maximaal twaalf maanden mag. De tijdelijke arbeidsovereenkomst om de geschiktheid te beoordelen wordt alléén verlengd als een medewerker afwezig is geweest en daardoor een juiste beoordeling van de geschiktheid niet mogelijk was. 
De CAO Rijk beperkt deze mogelijkheid nog verder voor uitzendkrachten die in dezelfde functie bij hetzelfde dienstonderdeel of dezelfde organisatie werkten. De duur van de uitzendperiode wordt dan in mindering gebracht op de maximale duur van twaalf maanden. 


Voorbeeld

  • Eline werkt sinds 1 januari 2025 als uitzendkracht in de functie van Senior Adviseur S12. Ze krijgt met ingang van 1 juni 2025 een tijdelijk contract aangeboden ‘om de geschiktheid te beoordelen’. Dat mag tot uiterlijk 31 december 2025. 

En dat vaste contract voorafgaand aan een tijdelijk contract?

Anders dan de ketenregeling, maar toch ook belangrijk om hier te vermelden, is de Ragetlieregel. Deze regel bepaalt of je na een vast contract een tijdelijk contract kunt aanbieden. Kort antwoord: dat kan niet, tenzij er een langere periode van zes maanden tussen het vaste en tijdelijke contract zit. 
Let op: ook voor Ragetlie geldt dat per 1 januari 2028 de tussenpoos wordt verlengd naar drie jaar. Meer hierover in onze volgende nieuwsbrief.


Voorbeeld

  • Linda werkt bij de Belastingdienst. Ze heeft een vaste arbeidsovereenkomst, maar wil graag de overstap naar Binnenlandse Zaken maken. Daar is alleen een tijdelijke vacature. Linda solliciteert en geeft aan dat ze het prima vindt om een tijdelijk contract te krijgen.
  • Linda kan géén tijdelijke arbeidsovereenkomst krijgen vanwege de Ragetlie-regel. Dat kan ook niet als ze zelf aangeeft akkoord te zijn met een tijdelijk contract. Werkgever moet overwegen of een detachering tot de mogelijkheden behoort óf haar toch een vaste arbeidsovereenkomst geven.